Een vleugje exotiek uit de moestuin.

Een vleugje exotiek uit de moestuin.

 

Sterfruit, mango, papaja’s, ananas, bessen in alle maten, bananen, … de kersttafels bulken van de exotische vruchten. Heerlijk vaak, wonderlijk ook die variatie in geur, kleur en smaak. Maar vaak kleeft er een zware ecologische voetafdruk aan de teelt en import van deze kleurige smakelijkheden.

Tuinieren en zeker in stedelijke context laat ook toe om een aantal “exotische” speciale groenten, kruiden en fruit te kweken. De winter is ook ideaal om te snuisteren in plantencatalogussen naar speciallekes. Zeker in de boeiende wereld van knollen is er nog wel veel te ontdekken in de plantenwereld in onze regio. Reserveer een plekje in jouw knollenperceel volgend seizoen voor deze lieverds. afspraak volgend jaar aan de kersttafel voor een exotisch en heel lokaal Gents knollenstoofpotje. Deze soorten bleken het makkelijkst en meest productief in onze regio.

 

Beschrijving naar de info op de website van ecohoeve”den oude kastanje” (ook voor plantgoed)

INDIANENAARDAPPEL (Apios americana)[Amerikaanse grondnoot - groundnut (EN)]Een in Noord-Amerika vergeten groente die, zoals de naam doet vermoeden, zeer populair was bij verschillende Indianenstammen.

De indianenaardappel is een doorlevende, wintervaste klimplant die afhankelijk van het hek waartegen hij groeit makkelijk 2 tot 4m hoog kan worden. Met zijn prachtig leverkleurige en interessant geurende bloemen leent hij zich ideaal om hem te telen aan een pergola. In de moestuin plaats je best bonenstaken of een ander hekwerk aan je planten. Je kan de indianenaardappel ook telen in grote potten om zijn uitbundige groei te beperken. De plant stelt niet veel eisen aan zijn standplaats, maar gedijt het best op een zonnige niet te vochtige plek in de tuin. Onder de grond maakt hij in een kluwen van wortels een hele resem knollen aan. Laat de plant 2 à 3 jaar goed doorgroeien zodat je in zijn laatste jaar dikkere knollen kan oogsten.

In de winter sterven de bovengrondse delen van de plant af. Oogsten doe je wanneer het loof net is afgestorven, meestal in november. Om de knollen vers te houden kuil je ze best in of bedek je ze met een laag zand.

De zeer voedzame knol heeft een hoog gehalte aan eiwitten en zetmeel, maar bevat ook veel calcium en ijzer. De smaak is zonder meer verrukkelijk. Rauw zijn ze zoals aardappels licht giftig, na ca. 20 minuten koken verdwijnt deze eigenschap en smaken ze net als gepofte kastanjes.

CHINESE YAM (Dioscorea opposita)[broodwortel - Chinese yam (EN)]

Volgens oude Chinese literatuur werd de Chinese yam voor het eerst geteeld rond 3000 v.Chr. Inmiddels is de teelt van yam in vele werelddelen net zo belangrijk als de aardappelteelt in Europa.Wereldwijd bestaan er honderden soorten en variëteiten van yams. De meeste vereisen een tropisch klimaat. Alleen de Chinese yam is in onze streken perfect te telen. In Azië waar men de wortels commercieel verbouwd worden de meer dan 1 meter lange wortels met behulp van graafmachines geoogst.Chinese yam is een doorlevende en wintervaste klimplant die lange slingerende ranken maakt. In de winter sterven de bovengrondse delen van de plant af om vervolgens in de lente terug te spruiten. In de bladoksels worden kleine broedbolletjes gevormd. Hiermee kan de plant zich vegetatief vermeerderen.

Chinese yam uit pot kan het hele jaar door geplant worden en word best geteeld op een goed verrijkte, lichte grond. Dit voornamelijk uit praktische overweging. Wanneer je de wortels na zijn 2de of 3de groeijaar oogst, moet je behoorlijk diep graven. De langgerekte wortelstokken die verticaal in de grond groeien en uitzetten tot een knotsvorm breken snel tijdens het oogsten. In West-Europa kunnen de wortels makkelijk een halve meter lang worden en tot 2kg wegen. Chinese yam word best geteeld op een zonnige plek in de tuin. Voorzie zeker een klimrek of enkele bonenstaken naast de planten. Een plantafstand van 50 tot 75 centimeter wordt best gehanteerd.

Oogsten doe je wanneer de bovengrondse delen van de plant zijn afgestorven. Er worden verschillende medicinale eigenschappen toegewezen aan Chinese yam: zo zou het eten van Chinese yam een positief effect hebben op je maag, nieren en longen. Het verlaagt de bloedsuikerspiegel en zou ook inwerken tegen diarree en tegen hoesten. De knollen worden zoals aardappels gekookt, gebakken of gefrituurd. Ook kan je er heerlijke chipjes van maken. Smaak en textuur komt in de buurt van cassave.

Je oogst yam best wanneer en in de hoeveelheid die je direct wenst te gebruiken. Eventueel kan je al je yams tezamen oogsten, om ze te bewaren dien je de wortels dan in te kuilen.

 

ZONNEWORTEL (Helianthus strumosus) [paleleaf woodland sunflower (EN)]

De zonnewortel is een broertje van de aardpeer en wordt in Europa vooral door hobbyisten gekweekt. Het grote verschil met de bekendere aardperen zijn de slanke, gladdere knollen en de gegarandeerde bloei.

Dit winterharde knolgewas is net als aardpeer familie van de zonnebloem. De op mini-zonnebloem lijkende bloemen komen laat in het najaar tevoorschijn. In de winter sterven de bovengrondse delen van de plant volledig af. Na de winter maken de knollen nieuwe scheuten en ontstaat er dus een nieuwe plant uit elke knol. Door deze manier van vegetatieve vermeerdering en doordat de plant winterhard is wordt zonnewortel soms gezien als woekeraar. Door enkele teelttips in acht te nemen kan zonnewortel echter verantwoord geteeld worden. De zonnewortel stelt weinig eisen aan zijn standplaats. In het wild wordt hij voornamelijk gevonden op natte, zeer voedselrijke grond bijvoorbeeld in oeverruigten en in bermen.

De pootknollen worden in het voorjaar (maart-april) gepoot op een afstand van ca. 75 cm. Bedenk wel even waar je ze wil, de plant kan makkelijk tot 2 meter hoog worden. Planten in pot kunnen heel het jaar geplant worden. Oogsten doe je wanneer het loof is afgestorven (november-februari). Probeer alle knollen op te graven, zo heb je het jaar erop amper spontaan uitschietende zonnewortels. Sporadisch zal er nog wel eens een zonnewortel boven komen, als je ze enkele malen uittrekt of afhakt geven ze zich snel gewonnen. De geoogste zonnewortels blijven vers door ze in te kuilen of af te dekken met aarde.

De knol kan zowel rauw, gekookt of gebakken gegeten worden en smaakt licht zoet en notig. Zonnewortels bevatten inuline. Inuline en zijn afbraakproducten fructo-oligosachariden worden als zoetstof gebruikt bij suikervrije diëten voor onder andere diabetici, aangezien ze de suikerspiegel niet beïnvloeden.

 

ZOETE AARDAPPEL (Ipomoea batatas) [bataat - sweet potato (EN)]

Oorspronkelijk komt de zoete aardappel uit Zuid- en Centraal-Amerika. Vanaf de 16de eeuw werd de plant door de Spanjaarden overgebracht naar Azië, waar hij snel een belangrijk voedingsmiddel werd. Zoete aardappel wordt ook geteeld in Polynesië, Nieuw-Guinea en bij de Maori op Nieuw-Zeeland.

In tegenstelling tot de gewone aardappel wordt de zoete aardappel niet gekweekt door knollen te planten, maar via het nemen van stekjes. De zoete aardappel is immers totaal niet verwant met de gewone aardappel. De zoete aardappel is een familielid van o.a. haagwinde (windefamilie), je kunt dit duidelijk zien aan de vorm van het blad. Ook maakt de plant ranken die afhankelijk van het ras een halve meter tot 2 meter lang kunnen worden. Als de planten groot genoeg zijn, zijn ze een prima bodembedekker.

Uitplanten kan als de laatste kans op nachtvorst is verdwenen (half mei). Geef ze een zonnig plekje in de moestuin of (bij warmte minnende varianten) in de serre. Een plantafstand van 40 cm is voldoende. Telen op verhoogde bedden is niet noodzakelijk maar zorgt wel voor een hogere opbrengst. Een goed opgewarmde grond is bevorderlijk voor een vluggere groei na het uitplanten.

Vanaf eind september duikt er jaarlijks een dilemma op in verband met het beste oogsttijdstip: oogst je te vroeg, dan zijn de knollen misschien nog wat klein; oogst je te laat, dan kregen de knollen wellicht te lage temperaturen te verwerken en bewaren ze slecht. Zelf oogsten we meestal rond half oktober, afhankelijk van de variëteit. Je kunt eens voorzichtig in de grond wroeten om te zien hoe groot de knollen al zijn. Weersvoorspellingen, muizenvraat en andere omstandigheden zijn soms ook een stimulans om al dan niet te oogsten.

Zoete aardappelen kan je op vele manieren bereiden. Snij ze in schijfje en bak ze in een pan of in de oven. Voeg ze toe aan allerlei sauzen, soepen of vul er quiche of pizza mee. Ook gepureerd, eventueel met een beetje gewone aardappel zijn ze heerlijk.

De knollen worden best bewaard bij een temperatuur rond de 15°C, best op een plek waar de luchtvochtigheid relatief hoog is.

Zeer belangrijk voor een succesvolle teelt in West-Europa is de keuze van de juiste variëteit. Verschillende variëteiten zijn gehecht aan een warmer tot tropisch klimaat (dit geld voor de meeste zoete aardappels die je in supermarkten vindt). Gelukkig is deze tropische plant heel aanpasbaar gebleken. Op natuurlijke wijze zijn er variëteiten geselecteerd en gecreëerd die een behoorlijke oogst geven in Nieuw-Zeeland, het hoogland van Papoea-Nieuw-Guinea en in het gematigde zuidelijke deel van Canada. Het spreekt voor zich dat de selecties die zich al bewezen in Canada, ook hier een grotere kans op slagen hebben.

OCA (Oxalis tuberosa)

De oca is één van de belangrijkste voedingsgewassen uit het Andesgebergte. Deze groente wordt er, dankzij zijn grote tolerantie aan grote hoogtes en rotsige, voedingsarme bodems, geteeld tot op een hoogte van 4100 meter.

Reeds in 1830 werd de oca als aardappelalternatief naar Europa ingevoerd, het werd hier echter geen succes. De laatste jaren wint deze lekkere en bijzonder kleurrijke knol gelukkig aan populariteit.

De oca is een doorlevend, niet wintervast gewas en zoals de meeste ‘Andesknollen’ is ook deze daglengtegevoelig. Dit wil zeggen dat de plant pas knollen maakt wanneer de dagen beginnen te korten. Om mooie dikke knollen te kunnen oogsten is het dus zeer belangrijk om de planten zo lang mogelijk te laten staan. Wacht met de oogst liefst tot eind november – begin december, net voor de eerste echte nachtvorst.

Het telen van de oca kan in zowat elke moestuin. Hij stelt bijzonder weinig eisen aan de grond. Je kan hem bij wijze van spreken zelfs tussen kiezels en zand telen. Al staat hij graag niet te nat en lekker in de zon. Ook voor de teelt in pot leent deze groente zich ideaal. Vermits hij maar een 30 cm hoog wordt kan hij makkelijk op een terras opgekweekt worden. Om de opbrengst te verhogen raden we aan om de planten aan te aarden.

Na het oogsten worden de knollen nog even nagerijpt. Dit om het rijkelijk aanwezige oxaalzuur om te zetten. De knollen worden daardoor zoeter. Rauw kan je de smaak vergelijken met die van een zacht, licht zoet radijsje. Lekker voor in salades of koude gerechten. De knolletjes kunnen ook gebakken, gekookt, gewokt of gefrituurd worden. Naast de knol is ook het blad eetbaar. Het kan aan salades toegevoegd worden om er een zurige twist in te brengen.

YACON (Polymnia sonchifolia)[Boliviaanse appelwortel]

Dit gewas uit de Andes is tegenwoordig enorm populair als calorie arme zoetstof onder liefhebbers van gezond eten. Tijdens het Inca tijdperk waren de knapperige, zoete knollen van groot belang voor reizigers, dit door de dorstlessende eigenschappen.

In het Quechua, de taal van de Inca’s, betekende yacon ‘waterknol’. Hoewel het een wortelgewas is wordt yacon meestal rauw gegeten, als een stuk fruit.

Yacon is een gemakkelijk te kweken doorlevende plant. Hij gedijt in zowat alle grondsoorten, heeft een grote waterbehoefte en houdt van een warme beschutte plek. Yacon is niet wintervast maar heeft wel een lang groeiseizoen nodig. Yacon is een grote plant, tot 2 m hoog en ook in de breedte heeft hij zijn plaats nodig.

We raden aan om yacon te planten na de IJsheiligen (half mei). Een ideale plantafstand is 75 cm. Vermits yacon een lang groeiseizoen nodig heeft leveren we enkel planten in pot. Wij kweken onze yacon in pot op in de serre. De reeds in groei zijnde planten hebben zo een niet onbelangrijke voorsprong. De oogst van yacon valt net als bij andere ‘andesknollen’ net voor de eerste echte nachtvorst. Meestal rond eind november – begin december. Een aangename verassing staat je dan te wachten want yacon is één van de meest productieve wortelgewassen die je kan kweken. Hij levert wel 5 tot 10 kilogram aan knollen per plant op.

De eetbare delen van yacon zijn de reserveknollen. Net onder de grond maakt yacon ook broedbollen aan. Deze bollen kunnen, als ze vorstvrij overwinterd worden, het jaar erop terug opgekweekt worden. Met een laagje grond afdekken zorgt ervoor dat de broedbollen niet uitdrogen.

De reserveknollen worden hoofdzakelijk rauw gegeten. Maar kunnen ook gestoofd, gebakken, gedroogd of geperst worden. Dikwijls word er van de knollen ook siroop gemaakt. Deze siroop is een ideale suikervervanger in allerlei desserten. Yaconknollen kunnen zeer lang bewaard worden. Leg ze hiervoor vorstvrij weg en dek af met een laagje grond tegen het uitdrogen. Door yacon minstens enkele weken te bewaren/rijpen wordt de smaak ervan veel zoeter. Het blad kan gebruikt worden om thee van te zetten.

Yacon bevat een zeer hoge concentratie aan inuline, deze wordt langzaam afgebroken tot fructo-oligosaccarides. Deze kunnen niet worden opgenomen door ons lichaam, maar geven wel een zoete smaakgewaarwording. En zoals De Standaard eens kopte: ‘Zoet maar geen dikmaker’, volgens onderzoek is yacon zelfs vet afdrijvend en cholesterol verlagend.

SUIKERWORTEL (Sium sisarum)[skirret (EN)]

Suikerwortel komt oorspronkelijk uit Azië en groeit in het hele gebied tussen de Kaukasus en Siberië. Traditioneel werd suikerwortel veel als wilde groente geplukt in Rusland.

Ook de Romeinen kenden suikerwortel, het werd door keizer Tiberius opgenomen in de keizerlijke keuken omdat hij de smaak zeer waardeerde. Ook Karel de Grote wou de plant perse in zijn tuinen. De picten, een schots volk ten tijde van de Romeinen, aten eveneens suikerwortel en gebruikten het als zoetstof. Suiker was toen een duur luxemiddel.

Suikerwortel is een wintervaste, doorlevende schermbloemige, die door insecten zeer gegeerd is voor zijn nectar. Suikerwortel gedijd op vele types grond en kan zowel zon als halfschaduw verdragen. Wel gedijen de planten best op een zonnige plek in vochtige, met compost verrijkte, losse grond. De witte bloemschermen verschijnen in de zomer op ca. 1 meter hoge bloemstengels. In de winter sterven de bovengrondse delen van de plant af.

Plant suikerwortel op een plantafstand van ongeveer 40 centimeter. Eventueel kan je de bloemstengels die in de zomer tevoorschijn komen wat stutten zodat ze niet omvallen door wind. Zodra het loof is afgestorven kan geoogst worden. Je oogst suikerwortel pas wanneer je hem nodig hebt. Laat de andere wortels gewoon aan de plant in de grond zitten. Dit is de enige manier om de wortels lekker vers te houden.

De wortels zijn zo dik als een vinger en worden klaargemaakt zoals pastinaak. Ze smaken net zoals pastinaak maar veel zoeter. Schrob de wortels gewoon wat af als je ze wil eten, ook kunnen ze na het koken gemakkelijk afgepeld worden. Rauw kan je de wortels eten als een smakelijk zoete snack. Of kort koken en dan frituren, het zijn dan de meest verslavende chips die ik ken. Suikerwortel word ook gebruikt als zoetmaker van bier en wijn.

JAPANSE ANDOORN (Stachys sieboldii syn. affinis

[crosne; Chinese artisjok – Chinese artichoke (EN)]

Deze tijdens de Ming dynastie (14e – 17e eeuw) veelgeteelde groente uit de koude provincies van Noord-China werd in 1878 voor het eerst in Europa ingevoerd door de Franse botanicus Nicolas-Auguste Pailleux.

De Chinese naam van de plant was voor de Fransen niet uit te spreken, waardoor Pailleux besloot ‘Crosne ‘, de naam van zijn woonplaats aan deze knollen te geven. In 1882 exporteerde hij deze knollen naar onder andere Engeland en Amerika. Al snel groeide de vraag naar deze bijzondere groente. Tussen 1890 en 1920 was crosne razend populair in Frankrijk.

Japanse andoorn is een winterhard knolgewas. In de winter sterven de bovengrondse delen van de plant volledig af. Na de winter maken de knollen nieuwe scheuten en ontstaat er dus een nieuwe plant uit elke knol. De Japanse andoorn is niet kieskeurig m.b.t. zijn standplaats, grondsoort en water- en mestbehoefte. Maar de teelt van crosne verdient een duidelijke voorkeur in lichte grond. Dit louter om praktische redenen, het zoeken van de crosneknolletjes en het kuisen ervan is geen lachertje wanneer ze in zware kleigrond geteeld werden. De Japanse andoorn wordt ongeveer 50 cm hoog.

Japanse andoornplantjes uit pot kunnen het hele jaar door geplant worden. Een ideale plantafstand bedraagt 20 á 30 cm. Het is eveneens mogelijk om crosne te telen in grote potten. Oogsten doe je wanneer het loof is afgestorven (november – februari). Probeer alle knollen op te graven, zo heb je het jaar erop amper spontaan uitschietende andoorns. Sporadisch zal er nog wel eens een plant boven komen, als je ze eens uittrekt of afhakt geven ze zich snel gewonnen. De geoogste crosnes blijven vers door ze in te kuilen of af te dekken met zand.

De knolletjes met een fijne, nootachtige smaak kunnen rauw in een salade verwerkt worden. Ze kunnen geroosterd worden als borrelhapje. Je kan ze bakken, blancheren, wokken of frituren in tempurabeslag. Crosne hoeft niet geschild te worden, het kuisen van de crosneknolletjes kan je makkelijk doen door ze tussen een keukenhanddoek met wat grof zout af te schuren en ze vervolgens nog even te spoelen.

KNOLCAPUCIEN (Tropaeolum tuberosum) mashua

De knolcapucien is een zeer voedzaam knolgewas dat al eeuwen wordt verbouwd en gegeten door de inheemse bevolkingsgroepen van Zuid-Amerika.

Voornamelijk in Ecuador, Peru en Bolivia is het nog steeds alledaags voedsel voor de armere inheemse bevolking. Vermits deze groente door de upper class gezien werd als voedsel van de arme is mashua er nooit op commerciële schaal verbouwd. Gelukkig is dat idee aan het verdwijnen en wordt er nu wereldwijd geëxperimenteerd met het telen van mashua.

Deze ‘andesknol’ is een veelbelovend gewas. Er bestaan reeds enkele rassen die het in het West-Europees klimaat zeer goed doen, ze geven een mooie oogst en de smaak is uniek. Rauw smaakt de knol pittig, iets scherper dan een radijs en met een nasmaak die volgens de literatuur beschreven wordt als en combinatie van cacao en vanille. Gekookt, gebakken of gewokt verdwijnt deze pittige smaak en neemt de cacao/vanillesmaak de overhand. Traditioneel worden de knollen ‘gezoet’ door deze enkele dagen in de zon te leggen. Zelf merkten we dat dit zoetingsproces ook zonder zonlicht gebeurd. Vers geoogste knollen zijn scherper van smaak dan knollen die al enkele weken in bewaring zijn.

De knolcapucien is een doorlevend, niet wintervast gewas en is familie van de Oost-Indische kers, dit is goed te zien aan de vorm van het blad en aan de groeiwijze. Evenals Oost-Indische kers maakt de plant ranken die zowel over de grond kruipen als zich opslingeren tegen een hekwerk. In tegenstelling tot Oost-Indische kers is de plant een minder krachtige groeier, de ranken worden zelden langer dan 1,5 meter. Laat op het najaar (november) worden er prachtig oranjerode bloemkelkjes gevormd.

Teel de knolcapucien in gewone, goed drainerende moestuingrond. Pootgoed stop je best vanaf eind april tot half mei de grond in. Planten in pot kunnen vanaf de laatste vorst geplant worden. Natuurlijk geldt hiervoor hoe later je plant, hoe kleiner je opbrengst zal zijn. Maar zelfs als je eind juni plant heb je nog steeds opbrengst van je planten. Een ideale plantafstand is 45 cm. Wij plaatsen altijd een hekwerk of draad naast de planten zodat ze kunnen klimmen en daardoor meer zon vangen. Hoewel knolcapucien ook geteeld kan worden zonder ze te laten klimmen.

Heel de zomer kan je sporadisch wat bladeren oogsten die een pittige toets geven aan salades. In november verschijnen er prachtige bloemen die eveneens eetbaar zijn. Deze hebben ook een mild pittige smaak en zijn zoet als nectar. Een lekkere versiering voor je gerechten. Vermits de knollen pas laat op het najaar beginnen te dikken raden we aan ze zo lang mogelijk in de grond te laten zitten. Liefst tot eind november – begin december. Daar de planten niet tegen vorst kunnen dien je ze net voor de eerste echte vorst uit te doen. De knollen kunnen bewaard worden indien ze op een vorstvrije plaats ingelegd worden in wat droge teelaarde.

ULLUCO (Ullucus tuberosus) [ulluku; olluco)

In de 19de eeuw werden deze ‘andesknollen’ ingevoerd naar Europa om als alternatief voor de door ziekte geteisterde aardappels te dienen. Door de snelle opkomst van bestrijdingsmiddelen, de aanslepende zoektocht naar geschikte selecties en de nakende oorlog zijn deze teelten hier echter nooit doorgebroken. Gelukkig groeit de interesse in deze gewassen. Er wordt met succes gezocht naar geschikte selecties voor de teelt in West-Europa en de vraag naar alternatieven voor aardappels wordt steeds groter. Ulluco is een niet wintervast, doorlevend knolgewas. Net als de andere ‘andesknollen’ groeit ulluco op alle grondsoorten maar best zet je ze in een rijke, luchtige bodem. Doordat deze andesknollen hoog in de Andes kunnen groeien zijn ze best wel tolerant tegen wat kou. Ulluco is ook daglengte gevoelig. De knollen worden pas gevormd wanneer de dagen korten. Een lang vorstvrij najaar is de enige voorwaarde voor een mooie oogst. In tegenstelling tot de andere ‘andesknollen’ houdt ulluco niet van een brandend zonnetje en kan hij minder tegen hitte. Een tegen de middagzon beschut plekje in de moestuin is ideaal. Een uitgebreid wortelgestel maakt ulluco niet. Zorg dus voor een vochthoudende bodem. Een goede mulchlaag doet wonderen. Om deze redenen is mengteelt van ulluco, oca en mashua traditioneel de gangbare teeltmanier.

Ulluco kan na de laatse nachtvorst (begin mei) gepoot worden. Eenmaal de planten wat groter zijn is aanaarden een goede manier om de knolvorming te verhogen. Dit decoratief, laagblijvend plantje kan ook zeer makkelijk in pot geteeld worden. Een plantafstand van 25 á 30 cm is voldoende. Vermits de knollen net op het grondoppervlak gevormd worden is het verstandig om de planten af te dekken bij sprake van grondvorst. De oogst is net als bij andere ‘andesknollen’ vlak voor de eerste echte nachtvorst eind november – begin december.

De prachtig gele, rode of gevlekte knollen zijn zowel rauw als gekookt zeer lekker. De smaak heeft wat weg van die van rode biet. Ook de bladeren zijn rauw zeer lekker in salades of gestoofd als spinazie. De knollen kunnen droog en vorstvrij zeer lang bewaard worden. Voor consumptie worden de knollen best donker bewaard.

Buurtmoestuinbegeleiding

Moderator: Diëgo V.D.K.
39 leden
sinds 18/06/2015
Buurtmoestuinbegeleiding

In deze groep kunnen jullie ervaringen, ideeën, tips... uitwisselen met de andere buurtinitiatieven die we begeleidden vanuit Stad Gent. Ook kunnen er eventueel afspraken gemaakt worden rond samenaankopen, gedeeld gebruik van materiaal, uitwisseling van kennis en vaardigheden... Laat je gaan, en zet zeker ook je project op de kaart!

Willen jullie ook een buurtmoestuin opstarten of moestuinbegeleiding krijgen? Stuur een mailtje naar info@gentklimaatstad.be.

 


Leden van de groep

  • Diëgo V.D.K.
  • Joyca L.
  • Jo L.
  • Marc N.
  • kim V.N.
  • acf1eed6-ad92-4621-b624-4e118a7d0646
  • Marieken D.
  • Katrien V.
  • Yannick C.
  • Tibbe K.
  • Brenda L.
  • Ria T.
  • Kristien W.
  • Elise W.
  • Kaatje M.
  • Bibi D.V.
  • Joanna D.
  • Joksie Els B.
  • Valerie S.
  • Bert D.
  • Thomas P.
  • Trui B.
  • Marijke M.
  • AC V.
  • Remy V.H.
  • Katinka T.
  • linda S.
  • Andreas M.
  • Kristien G.
  • Maarten M.
  • Jessica G.
  • Liesbet B.
  • Karen W.
  • Benoît C.
  • christophe N.
  • Jef G.
  • Brecht V.R.
  • Veerle H.

Nieuws

Heb je iets aan te kondigen? Een leuk recept ontdekt of een blogpost die je wil delen? Een boeiend artikel ontdekt over voeding? Publiceer het hier!