Feestgedruis in plantenland

Feestgedruis in plantenland

Tijdens de korte, donkere winterdagen kropen onze voorouders dicht bij elkaar rond het vuur om verhalen te vertellen over het voorbije jaar. 

Er is ook geen beter moment voor een terugblik én een vooruitblik op het nieuwe moestuinjaar – lees – de heropleving, ontwikkeling, bloei en vruchtzetting in de natuurlijke wereld, waar al onze tuinen eigenlijk deel van uitmaken.

Vandaag wil ik jullie aan de hand van een aantal foto’s een verhaal vertellen over combinaties in de tuin, de ‘vrienden en familie’ die je in de functionele ecosystemen van de ecologische moes- of permacultuurtuin kunt terugvinden.  Het gaat hier niet alleen over de 1-jarige moestuin, maar ook over verdere fasen van successie, zoals een jong voedselbos.  

Het is veel informatie, ik zeg het al eens op voorhand, want ik weet dat ik moeilijk kan stoppen eens ik begin, maar je hebt een hele winter tijd om alles te laten bezinken :-)

 

Inleiding: waarom combineren?

 

In de natuur zul je zelden een monotoon landschap vinden van 1 soort planten met allemaal dezelfde leeftijd.  Een ecosysteem dat zich vrijelijk kan ontwikkelen wordt vanzelf diverser naarmate de verschillende niches ingevuld worden.  Wat planten betreft situeren deze niches zich in type bestuivers, zon-schaduw, diep of oppervlakkig wortelen, type natuurlijke vijanden, vochtig-droog…

Verder zet je echter best wel planten met gelijkaardige fysische behoeften samen om het jezelf gemakkelijker te maken (=planten die groeien in hetzelfde biotooptype: moerasplanten, bosrandplanten, weideplanten, prairieplanten, rotsplanten…).

 

Op foto 1 zie je een combinatie van enkele vaste, droogtetolerante kruiden (salie, lavendel) en een paar 2-jarige spontaan uitgezaaide medicinale wilde planten (klis, koningskaars).   De laatste 2 groeien met diepe penwortels en een rozet in de winter, waarna ze het 2de jaar in bloei schieten, zichzelf uitzaaien en daarna misschien verdwijnen.  De salie en de lavendel blijven staan en worden best regelmatig geoogst zodat de planten langer mee gaan.

 

Als je een plantcombinatie wilt toepassen, is het dus interessant om vooraf zo veel mogelijk informatie te verzamelen over de standplaats, zodat je beter kunt inschatten welke planten het meest geschikt zijn.  Je kunt vervolgens in de boeken duiken of online zoekfuncties raadplegen, als dat werkt voor jou, of gewoon volop gaan experimenteren, waarbij je de leemten tussen wat je al weet min of meer op goed geluk of met berekende gokken opvult.  Regelmatig spontane vegetatie observeren, waar je ook komt, is misschien nog wel het belangrijkst.  Plus je krijgt er vaak een gratis bos- of natuurbad bij, en dat is sowieso goed voor je!

 

 

Combineren in de moestuin

 

De gewasbeschermende eigenschappen van bepaalde planten, zoals de aaltjeswerende / bodemontsmettende Tagetes (‘stinkers’), oost-indische kers en goudsbloem zijn intussen vrij algemeen gekend.  Er bestaat echter ook een ruime overlevering aan elkaar tegensprekende combinatietips, waardoor je al gauw door de bomen het bos niet meer ziet.  Feit is dat niet alles altijd werkt – vaak gaat het om de ervaring van 1 tuinier op 1 type bodem in een welbepaalde omgeving, soms zelfs in een welbepaald jaar.

 

Een heel specifieke, teelttechnische manier om aan combinatieteelt te doen in iets grotere moestuinen, is de ‘Mengcultuur’ van Gertrud Frank, waarbij telkens 1 rij van 1 gewas gezaaid / geplant wordt en waarbij gewassen elkaar opvolgen naargelang grootte en seizoen.

 

Laat alle interessante literatuur je er echter niet van weerhouden om vooral veel praktijkervaring op te doen - gebruik bij het combineren je eigen inzichten, je observatievermogen en je ‘gezond boerenverstand’.

 

Spreiden in de ruimte

Dit principe wordt heel veel toegepast, zowel door experimentele tuiniers als door traditionele landbouwculturen. 

 

Hoog opgroeiende planten zoals zonnebloemen of staakbonen die ver genoeg uiteen geplant worden laten nog voldoende ruimte open voor andere gewassen, die idealiter min of meer bodembedekkend zijn, hetzij door hun snelle groei, hetzij doordat ze effectief over de grond kruipen.  Zo krijg je een win-win: je hebt minder af te rekenen met hardnekkig ‘on’kruid later in het seizoen én je krijgt een extra oogst.

 

FOTO 2: chrysant, oca, zonnebloem

FOTO 3: maïs en pompoen

FOTO 4: pronkboon en oca

FOTO 5 en 5b: staakboon, goudsbloem, broccoli, dille, koriander

 

1 heel gekend voorbeeld is dat van de ‘3 sisters’, toegepast door Centraal-Amerikaanse inheemse gemeenschappen.  Dit bestaat uit hoog opgroeiende maïsrassen waarop bonen klimmen en waartussen pompoenen groeien.  De onderlinge wisselwerking tussen deze 3 planten is heel gunstig: de pompoenbladeren worden beschut tegen de felle zon, de maïs krijgt extra voedsel door de stikstoffixatie van de bonen en de bonenplanten gebruiken de maïsstengels als klimsteun.

Maïs en pompoen kunnen bij ons ook een mooie gezamenlijke oogst opleveren, maar de bonen er bij krijgen is niet evident op onze breedtegraad (lichtintensiteit en lengte van het groeiseizoen).

 

Andere voorbeelden zijn yakon en oca, spruitkool en nieuw-zeelandse spinazie, staakboon en oost-indische kers, …  en er zijn zeker nog een heleboel andere mogelijkheden.

 

Spreiden in de tijd

 

Dit principe werd vroeger heel veel toegepast door de stadsgerichte tuiniers (market gardeners) om zo veel mogelijk oogst uit een zo klein mogelijke oppervlakte te kunnen halen.  In La Ferme du Becq Hellouin in Normandië probeert men om de efficiëntie van deze historische vorm van kleinschalig moestuinieren te evenaren en nog verder te verbeteren. 

Dit principe zoekt naar een optimaal gebruik van een beperkte ruimte met een maximale oogst bij een minimale input.  Ook interessant voor wie tuiniert op beperkte oppervlakte of in een moestuinbak dus.

 

Het komt er vooral op neer om goed vertrouwd te raken met de groeisnelheden van de verschillende groenten die je gaat combineren, zodat ze elkaar niet te veel gaan beconcurreren voor voedsel, ruimte en licht.

 

FOTO 6: yakon, zonnebloem, koriander, tuinmelde

FOTO 7: komkommer en romeinse sla

FOTO 8a en 8b: tuinboon en kliswortel

 

Soms worden de groenten op een verschillend tijdstip gezaaid, waardoor deze vorm van combineren soms veel weg heeft van een tussenteelt met hoofdteelt.  Dat is bijvoorbeeld het geval met foto 6, waarbij de tussenteelten, gezaaid in maart, verdwijnen op het moment dat de hoofdteelten, geplant begin mei, beginnen door te groeien.  Daarna kan er verder gewerkt worden met spreiding in de ruimte door er een bodembedekkend gewas tussen te zaaien of planten.

 

In andere gevallen heb je te maken met voor- of nateelten, waarbij de voorteelt soms een tijdje blijft op het veld staan en afrijpt vlak voordat de hoofdteelt begint door te groeien en alle ruimte inneemt.  Dit heb je bv. op foto 7 en kun je bv. ook met lentekropsla en pompoen of courgette gaan toepassen.

 

Het geval van kliswortel en tuinboon is een nog verder doorgedreven voorbeeld van dit principe. Beide kunnen op hetzelfde moment gezaaid worden – 2 rijtjes tuinboon op normale afstand van elkaar, met in het midden een rijtje klis.  De tuinboon rijpt af precies op het moment dat de groeispurt van de kliswortel inzet.  De kliswortel profiteert hierbij van de stikstof die vrijkomt wanneer de rhizobium-bacteriën die aan de wortels van de tuinboon leefden afsterven.

 

Gewasbescherming

 

Teeltcombinaties kunnen er ook voor zorgen dat een bepaald gewas beschermd of ondersteund wordt in geval van ziektes of belagers.

Dit kunnen vangplanten zijn (vb. oost-indische kers naar zwarte bonenluis en koolwitjes toe), afwerende planten (vb. pepermunt, lavendel tegenover diverse soorten knabbelbeestjes), misleidende planten (vb. klaver of andere bodembedekkers bij koolgewassen) of planten die voedsel of huisvesting bieden aan plaagbestrijdende dieren (vb. vogelbosjes, bloeiende schermbloemigen e.a.).

 

FOTO 9 pastinaak in bloei, bernagie, tuinmelde, broccoli

FOTO 10 winterbloemkool, bernagie

 

De pastinaak op foto 9 levert niet enkel zaden voor het nieuwe teeltseizoen, deze trekt naast allerlei bestuivende bijtjes ook zweefvliegen (bladluisetende larven), wespen (vangen o.a. rupsen en bladluizen) en diverse soorten sluipwespen (parasiteren op bladluizen, rupsen van koolwitjes..) aan.

De diverse vormen, hoogtes en kleuren werken bovendien ook verwarrend voor vlindervrouwtjes die op zoek zijn naar kruisbloemigen om hun eitjes op af te zetten.  Tegen dat de kolen doorgroeien, zijn de bernagie en de melde reeds weg of gemulcht.

 

De combinatie op foto 10 is een toevallige ontdekking, wanneer ik dit jaar mijn bernagiezaden te laat geoogst heb van de planten die eerst tussen mijn erwtjes groeiden op mijn peulvruchtenperceeltje.  Ik heb aan het eind van de zomer alvast winterbloemkolen geplant (na peul komt kool), net voor de gevallen bernagiezaden kiemden.  Zo kon de late vlucht van de koolvlieg alvast niet makkelijk bij de basis van de kolen komen om er eitjes te leggen.

Benieuwd of deze kolen ook zullen beschermd worden tegen de duiven naarmate de winter vordert (zijn verzot op koolbladeren omwille van de kalk en de zwavel die er in zitten, essentiële bouwstenen voor aminozuren, veren en eitjes), want bernagie kan wel het loodje leggen bij aanhoudende vorst en dan vallen de kolen wél weer op natuurlijk!

 

Onkruidbeheersing

 

Eigenlijk ben ik een aanhanger van de leuze ‘onkruid bestaat niet’ – maar dat betekent niet dat ik zomaar overal elke plant zijn gang wil laten gaan.  De definitie van onkruid is voor mij een rekbaar begrip – boerenkool- en tomatenzaden die een composteringsproces overleefd hebben en overal in de moestuin opduiken beschouw ik op sommige plaatsen als onkruid, op andere als groenten die hun ding mogen doen.  Goudsbloem, bernagie, veldsla en oost-indische kers hebben een  status als welkome reizigers, zij mogen her en der een plekje innemen, zolang ze maar niet de hoofdteelten in het gedrang brengen.

Andere, vooral 1-jarige planten, zoals bv. knopkruid, probeer ik echter altijd te vermijden.  Een doeltreffende manier om dit te doen is door verschillende soorten groenten zo op elkaar af te stemmen dat zij zo snel mogelijk de bodem volledig bedekken.  Zo bereikt er geen licht meer de bodem en kunnen onkruidzaden moeilijker kiemen.

 

FOTO 11 prei, peterselie, struikboon, warmoes, melde, maïs

FOTO 12 rucola, mosterdblad, tuinmelde, koriander en bernagie

 

Een voorbeeld zie je op foto 11.  Na een 2-tal maanden was er geen onderhoud meer aan dit perceeltje doordat alles compleet dichtgegroeid was.  Wel belangrijk is om de planten weliswaar dicht opeen te zetten, maar er ook voor te zorgen dat ze elkaar niet kunnen overwoekeren.  Dit kun je inschatten door te letten op hoe groot een plant normaliter wordt en hoe snel zij groeit (teeltduur).  

 

In voor- en najaar (voor- en nateelt) zijn het vooral allerlei bladgewasjes die de klus kunnen klaren.  Op foto 12 zie je allerlei snelgroeiende bladgewassen.  De rijen staan op 15-20cm van elkaar, waardoor de gewassen elkaar raken naarmate ze uitgroeien. 

Onkruidbeheersing vind je ook wel al terug bij het hoger vermelde principe van ‘spreiden in de ruimte’.

 

Tijdelijke invulling

 

Er zijn ook allerlei combinaties mogelijk waarbij je werkt met hybride systemen (1-jarigen tussen opgroeiende bomen, struiken, bessen, vaste planten).  In dit geval benut je deze zones dus maar tijdelijk voor groententeelt, tot de bomen / struiken beginnen uit te groeien.  De steeds schimmelrijkere bodem wordt daar geleidelijk aan immers meer geschikt voor vaste planten en bodembedekkers i.p.v. 1- of 2-jarigen.

 

FOTO 13 koriander, goudsbloem onder opgroeiende laagstamfruitbomen

FOTO 14 spitskool, verbena, yakon en snijbiet tussen opgroeiende laagstamfruitbomen

FOTO 15 snijbiet onder recentelijk geplante japanse wijnbes

FOTO 16 yakon tussen recentelijk geplante bessenstruiken

 

Onder ‘tijdelijke invulling’ bedoel ik hier ook een zone/perceel in de moestuin waar je een jaartje geen groenten wilt kweken maar waar je toch makkelijk de draad weer wilt kunnen oppikken.  Je kunt deze plekjes integraal inzaaien met een groenbemester à là phacelia of mosterd, maar je kunt ook een combinatie maken van allerlei 1-jarige bloemen en snelgroeiende bodembedekkende eetbare planten zoals op foto 17

 

FOTO 17 oost-indische kers,  kaasjeskruid, amarant, bernagie, mosterd, duizendblad…

 

 

VOEDSELBOSTUINIEREN

 

Alle bovenvermelde principes, maar nog een hele set andere, kom je ook tegen bij het combineren van planten in voedselbossystemen.  In zo’n teeltsysteem wordt er gezocht naar de optimale mengvorm tussen spontane ontwikkeling (successie, bodemopbouw, biodiversiteit, zelfregulatie..) en menselijke noden (voedsel, geneeskruiden, nutsgewassen, hout, …).  Voedselbossystemen vragen slechts een fractie van de input die in 1-jarige voedselproductiesystemen gaat.  Het is eigenlijk ecologisch onverantwoord dat we onze voedselproductie al zovele duizenden jaren laten afhangen van 1-jarige teelten, vooral in streken waar van nature bossen voorkomen.

 

Diversiteit

 

Diversiteit ziet er heel verschillend uit in een intensieve moestuin met vooral 1-jarigen (FOTO 18) in vergelijking tot een extensief voedselbos met vooral vaste planten en zelfzaaiende planten (FOTO 19).  Als je de moestuin in de zomer een maand alleen laat is de kans groot dat er weinig overblijft van je groenten.  Ze schieten in bloei, worden opgegeten of raken overwoekerd, tenzij misschien wanneer je de principes van spreiding slim hebt toegepast.  In een voedselbostuin loopt het zo’n vaart niet.  Een polycultuur van vaste planten is een pak stabieler eenmaal de planten hun plekje gevonden hebben (FOTO 20 eeuwige moes en veldsla langs de randen van looppaden).

 

Randen

 

De meest productieve én meest diverse stukjes natuur vind je langs de overgangen tussen 2 verschillende biotopen: bosranden, oevers, kustlijnen, …

Vertaald naar een voedselbos betekent dit dat je streeft naar een soort open bos met brede, opgaande randen (mantel-zoom).

 

Zoals reeds vermeld in de inleiding is het wenselijk om je plantcombinaties af te stemmen op de groeiomstandigheden.   Zo heb je in een voedselbos doorgaans een brede zonovergoten zuidgerichte randzone en een smallere schaduwrijke noordgerichte randzone, elk met hun eigen plantencombinaties.

 

FOTO 21: zuidgerichte kruidenspiraal: compact, in de zon, dicht bij de keuken.

FOTO 22: noordgerichte randzone met kruisbes, aalbes, vlier, roomse kervel

FOTO 23: zuidgerichte randzone met sedum, lavas, heemst, hartgespan, aardpeer, veldsla, laurier, perzik

 

Lagen

 

‘Spreiden in de ruimte’ is 1 van de principes vermeld bij de moestuin.  In een voedselbos komt dit principe helemaal tot zijn recht.  Daar krijg je niet 2 à 4 maar 7 lagen: kruinlaag, secundaire kruinlaag, struiklaag, kruidlaag, strooisellaag, klimplantenlaag en wortellaag.

Staat de juiste plant op de juiste plaats, dan ontstaat er een harmonieus evenwicht, waarbij je zelf als je het systeem jarenlang met rust laat nog steeds een respectabele oogst kunt binnenhalen. 

 

FOTO 24:

 

kruin: Robinia ----- secundaire kruin: laagstam fruitbomen ----- struik: zwarte bes, kruisbes ----- kruidlaag: zwartmoeskervel ----- strooisellaag: hier mulch of houtsnippers ----- klimplantenlaag: akebia, kiwibes ----- wortellaag: hier afwezig, elders in dezelfde tuin staan aardpeer, aardkastanje

 

FOTO 25: overzicht van de zuidzijde van een voedselbosje, met de verschillende lagen

 

Veel combineerplezier in plantenland!

 

 

 

Buurtmoestuinbegeleiding

35 leden
sinds 18/06/2015
Buurtmoestuinbegeleiding

In deze groep kunnen jullie ervaringen, ideeën, tips... uitwisselen met de andere buurtinitiatieven die we begeleidden vanuit Stad Gent. Ook kunnen er eventueel afspraken gemaakt worden rond samenaankopen, gedeeld gebruik van materiaal, uitwisseling van kennis en vaardigheden... Laat je gaan, en zet zeker ook je project op de kaart!

Willen jullie ook een buurtmoestuin opstarten of moestuinbegeleiding krijgen? Stuur een mailtje naar info@gentklimaatstad.be.

 


Nieuws

Heb je iets aan te kondigen? Een leuk recept ontdekt of een blogpost die je wil delen? Een boeiend artikel ontdekt over voeding? Publiceer het hier!